Windesheim
 
Docent Harbert Booij blikt terug
Harbert Booij blikt terug op zijn jarenlange verbondenheid aan Windesheim en met name de opleiding voor Theologie en levensbeschouwing. 8 Juni nam hij afscheid na een boeiend mini-symposion.

In 1987 werd ik docent aan de theologische opleiding van Windesheim voor wat toen heette de ‘esthetische vakken’ (met code ‘ES’).  Dat was een bijzondere opvatting, aan het begin van de opleiding zo geformuleerd door Alfred Bronswijk, de eerste teamleider, over een theologische opleiding, tenminste een HBO-opleiding Theologie. (De toevoeging ‘en Levensbeschouwing’ was er toen nog niet.)  Een deel van de theologie kon benoemd worden als esthetisch. Dat betrof niet alleen de kennis van de christelijke beeldtraditie en enige kennis van de kerkmuzikale traditie, maar ook moderne kunst als uiting van het eigen culturele klimaat dat je moest kunnen verkennen en beschouwen. Echter ook de vakken liturgie en homiletiek werden gezien als esthetische vakken. Op al deze gebieden heb ik dan ook lesgegeven. Bovendien heb ik naarmate ik meer vrijheid kreeg om zelf eigen zaken in te brengen met heel wat groepen praktisch gewerkt in bibliodrama en bibliobeeld. Esthetiek, kunst, persoonlijke expressie, muziek, cultuur, godsdienst- het hoorde bij elkaar. Toen ik later ook godsdienstwetenschap en Judaïca gaf en tenslotte nog een jaar of tien filosofie, was mijn aandacht voor het esthetische nooit ver weg. Kunst was een paradigma vanwaar uit ik tal van aspecten van godsdienst en levensbeschouwing kon verklaren, zowel aan mijzelf als aan mijn studenten.


Het was ook bijzonder fijn om met groepen studenten naar musea te gaan, in Utrecht, Amsterdam, Münster etc., en daar ter plekke langdurig stil te staan bij kunstwerken of kerkgebouwen, soms gecombineerd met een concert in de Domkerk.
Deze esthetische benadering was op mijn lijf geschreven en ook anderen zagen dat als mijn typische ‘handelsmerk’.


In mijn bijdrage op mijn afscheid was het dan ook niet verrassend dat ik daar een pleidooi deed voor het levend houden van de christelijke traditie juist in esthetische zin. Een zoeken naar de ‘poëtische taal’ om God ter sprake te brengen. God is geen cognitieve formule. Zodra we in die richting zoeken gaan we onherroepelijk kopje onder. We hebben taal en ontmoeting met anderen nodig om steeds weer op een andere manier voor een kort moment iets te begrijpen van het bijzondere om de wereld in het licht van God te zien. Je kunt er geen systeem van maken. Je moet er ook niet louter mystiek van maken. God is te vinden in de relatie van mensen, in het zich openstellen van mensen voor andere mensen en ook, zeg ik vanuit Levinas, in het zich laten aanspreken door die anderen. Daarbij kan kunst een rol spelen als aanjager van ervaring en verbeelding van verwondering. Kunst is niet alles, maar een samenleving zonder kunst lijkt me al gauw ook een samenleving zonder God te worden. Alles wordt dan functioneel.


Het trof me dat de onderwijskundige Gert Biesta juist een boek schreef over de bijzondere, onverwisselbare, betekenis van de docent voor de klas. Onderwijs is geen fabrieksysteem. Wie voor de klas staat maakt (het) verschil. Onderwijs is een kunst. Ik heb er op mijn manier voor gestaan. Ik wens mijn collega’s die verder gaan samen met de studenten een levendig leerproces, een proces waarin je altijd weer verandert.


Heel veel dank voor wat ik op Windesheim heb mogen doen en tenslotte voor alles wat collega’s en vele studenten mij lieten weten bij mijn afscheid. Het ga iedereen goed.


Harbert Booij

© 2019 Hogeschool Windesheim - Privacy - Algemene voorwaarden - Disclaimer